Zonnepanelen zijn intussen niet meer weg te denken uit het Vlaamse straatbeeld. Begin 2025 telde Vlaanderen al meer dan 1 miljoen zonnepaneelinstallaties, samen goed voor bijna 7 gigawattpiek aan vermogen. Toch blijven appartementsgebouwen en andere mede-eigendommen opvallend achter.
Deze achterstand is deels te wijten aan de juridische en technische complexiteit. Het dak behoort tot de gemeenschappelijk delen, waardoor een installatie de goedkeuring van de Algemene Vergadering (AV) vereist. Bovendien moet de VME de keuze maken tussen allemaal individuele installaties (elk aangesloten op een private teller) of één collectieve installatie op de gemeenschappelijke teller. In dit artikel bespreken we aan de hand van een casestudy waarom een gemeenschappelijke installatie vaak de meest interessante oplossing is.
De voor- en nadelen van
gemeenschappelijke PV-installaties
Het grootste voordeel van een
gemeenschappelijke installatie is de
schaalvergroting. In tegenstelling tot
individuele systemen, waarbij bewoners
vaak slechts een klein stuk van het dakvlak
kunnen benutten (vaak beperkt tot 2-3
panelen per entiteit), maakt een collectieve
installatie optimaal gebruik van de
beschikbare oppervlakte. Door te kiezen
voor één zwaardere omvormer en een
vereenvoudigd kabeltraject ligt de prijs per
bewoner aanzienlijk lager.
Bovendien zien we een trend naar de collectivisering van technieken, zoals warmtepompen en laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. Een gemeenschappelijke zonnepaneelinstallatie is dan een logischere oplossing dan individuele installaties om de energiekosten van deze verbruikers te drukken.
Er zijn echter ook drempels. Voor de investering is een 2/3e meerderheid binnen de AV vereist, wat een engagement van alle mede-eigenaars vraagt voor de financiering. Een klassiek tegenargument is dat de opgewekte energie niet direct door private toestellen (zoals wasmachines of kookplaten) verbruikt kan worden.
Zonder een oplossing hiervoor (bijvoorbeeld energiedelen) of grote gemeenschappelijke verbruikers dreigt een te groot deel van de productie tegen lage vergoedingen op het net geïnjecteerd te worden, wat de terugverdientijd negatief beïnvloedt.
Wanneer die analyse correct gebeurt, kan een gemeenschappelijke zonnepaneelinstallatie echter een sterke stap vooruit zijn voor een mede-eigendom. Ze verlaagt de gemeenschappelijke energiekosten, benut het dak optimaal en bereidt het gebouw voor op een toekomst waarin energieprijzen steeds onzekerder lijken te worden.
Casestudie: privatieve vs
gemeenschappelijke installaties
Als praktijkvoorbeeld analyseren we een residentie met 57 appartementen en 68
parkeerplaatsen. Het gebouw beschikt over
een bruto dakoppervlakte van 700 m².
Daarvan is naar schatting de helft effectief bruikbaar voor zonnepanelen, onder meer door andere installaties, schaduwzones en de nodige tussenafstanden.
Op die beschikbare dakruimte passen ongeveer 66 zonnepanelen van 460 wattpiek. Samen leveren die een geïnstalleerd vermogen op van 30,36 kilowattpiek.
Scenario 1: collectieve installatie

Figuur 1: Collectieve PV installatie
In het geval van een collectieve installatie kunnen alle panelen gekoppeld worden aan één
3-fasige omvormer van 30kW, die dan aangesloten wordt op de teller van de algemene delen.
Scenario 2: privé installatie

Figuur 2: Privé PV installatie
Bij individuele installaties krijgt elke
deelnemende bewoner een eigen kleine
installatie, aangesloten op de private teller
van het appartement.
In dit voorbeeld gaan we ervan uit dat 22 bewoners interesse hebben. Elke bewoner kan dan drie zonnepanelen plaatsen, gekoppeld aan een kleinere monofasige omvormer van 1,5 kW.
Verbruiksanalyse privé
installatie
Voor de analyse van een individuele
installatie vertrekken we van een
gemiddeld jaarverbruik van 2.000 kWh
per appartement.
Een persoonlijke installatie van drie
panelen levert gemiddeld ongeveer
1.016 kWh per jaar op. Daarvan wordt
naar schatting 57% rechtstreeks in het
appartement verbruikt. Dat noemen
we de zelfconsumptie: het deel van de
opgewekte stroom dat onmiddellijk
gebruikt wordt op het moment dat de
zonnepanelen produceren.
In de winter is de productie vaak te laag
om het verbruik volledig te compenseren.
In de zomer gebeurt het omgekeerde:
op zonnige momenten produceren de
panelen meer dan het appartement op
dat moment verbruikt. Het overschot
wordt dan op het elektriciteitsnet
geïnjecteerd, meestal tegen een lagere
vergoeding dan de prijs die men betaalt
voor afgenomen stroom.
De grafieken hieronder tonen dit verschil
tussen een typische wintermaand en een
typische zomermaand.

Figuur 3: typische wintermaand privé-installatie

Figuur 4: typische zomermaand privé-installatie
Verbruiksanalyse collectieve
installatie
Bij de gemeenschappelijke installatie
wordt de opgewekte stroom gebruikt
voor de algemene delen van het
gebouw. Denk aan de poort van de
parking, liften, verlichting, ventilatie of
andere technische installaties. In deze
case wordt ook rekening gehouden
met collectieve laadinfrastructuur voor
elektrische wagens.
Zonder de laadinfrastructuur bedraagt het basisverbruik van de gemeenschappelijke delen ongeveer 20.000 kWh per jaar. De zonnepaneelinstallatie produceert gemiddeld 23.132 kWh per jaar.
Ook hier is er een duidelijk seizoen effect. In de winter is er te weinig zonneproductie om het volledige verbruik te dekken en in de zomer te veel. Hier ligt het zelfconsumptiepercentage echter een stuk lager, op gemiddeld 36%.

Figuur 5: typische wintermaand collectieve installatie

Figuur 6: typische zomermaand collectieve installatie
De impact van laadinfrastructuur
Het beeld verandert wanneer er een
grotere gemeenschappelijke verbruiker
bijkomt, zoals laadpunten voor
elektrische wagens.
In deze VME werd collectieve laadinfrastructuur voorzien voor alle parkeerplaatsen. Vandaag hebben 6 bewoners effectief een laadstation laten installeren en activeren (9% van de parkeerplaatsen).
Het huidige laadverbruik bedraagt ongeveer 1.100 kWh per maand, of 13.200 kWh per jaar. Uit het laadprofiel blijkt dat de meeste laadsessies ’s avonds plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer bewoners thuiskomen van het werk. Toch zijn er ook rond de middag regelmatig laadsessies. Dat kan wijzen op bewoners die thuiswerken, deeltijds werken of met pensioen zijn.
Doorheen de tijd zullen er meer en meer bewoners bijkomen met een laadstation. Voor een berekening van de terugverdientijd gaan we er daarom van uit dat er over een termijn van 20 jaar (typische minimale levensduur van een zonnepanelen) gemiddeld 20% van de parkeerplaatsen een laadstation heeft geïnstalleerd dat actief gebruikt wordt.
Hierdoor krijgen we een stijging van het zelfverbruik van 36% naar 59%. Dit zou nog verder kunnen stijgen indien de bewoners meer flexibiliteit hebben over op welke uren ze hun wagen kunnen opladen.

Figuur 7: laadprofiel residentiële mede-eigendom

Figuur 8: typische zomermaand met EV (grijs)

Figuur 9: typische wintermaand met EV (grijs)
Prijzen en terugverdientijden
Voor de prijzen moeten we rekening
houden met volgende onderdelen:
- Zonnepanelen
- Omvormer
- Montagesysteem
- Bekabeling van het dak naar het tellerlokaal op verdieping -1, over ongeveer negen verdiepingen en circa 35 meter;
- Aansluiting op het elektrisch bord
Type installatie | Zelfverbruik in % | Zelfverbruik in kWh | Besparing per jaar | Geschatte terugverdientijd |
Privé installatie | 57% | 582 kWh | €159 | 18,9 jaar |
Collectieve installatie zonder EV | 36% | 7235 kWh | €1.975 | 12,7 jaar |
Collectieve installatie met EV | 59% | 11746 kWh | €3.207 | 7,8 jaar |
Conclusie
Uit bovenstaande casestudie kunnen we
concluderen dat door het schaalvoordeel
een collectieve zonnepaneelinstallatie bijna
altijd voordeliger zal zijn dan een privé
installatie, maar het pas echt interessant
wordt wanneer er ook andere collectieve
technieken worden gebruikt, zoals
bijvoorbeeld laadinfrastructuur.
Het extra verbruik dat dit met zich meebrengt zorgt zelfs zonder sturing voor een aanzienlijke verhoging van het eigen verbruik en dus een verkorting van de terugverdientijd.
Zowel voor de privé- als collectieve installatie kan sturing van de grote gebruikers nog een aanzienlijke extra winst opleveren. Bij laadinfrastructuur vergt dit enige flexibiliteit van de gebruikers, maar zelfs als dit alleen mogelijk is in het weekend zorgt dit al voor een groot voordeel. Andere gemeenschappelijke installaties, zoals warmtepompen voor sanitair warm water, hebben typisch een lager totaal vermogen maar kunnen wel beter aangestuurd worden om te verbruiken op de momenten dat er veel zon is omdat deze niet afhankelijk zijn van de flexibiliteit van de gebruikers.
Daarnaast bestaat er in Vlaanderen ook de mogelijkheid tot energiedelen. Op deze manier zou de overschot van zonne-energie op de gemeenschappelijke teller gebruikt kunnen worden door de privé installaties van de bewoners, al zijn hier ook kosten aan verbonden. Energiedelen werd in deze case studie niet mee opgenomen, maar kan interessant zijn om te bekijken wanneer er zelfs met gemeenschappelijke verbruikers nog veel overschot aan zonne-energie is.
Info
Bram Robberechts
Project Engineer
Go Watts