Overslaan naar inhoud


Gemeenschappelijke zonnepanelen in een mede-eigendom: een casestudie.

1 augustus 2026 in
Gemeenschappelijke zonnepanelen in een mede-eigendom: een casestudie.
Property Today

Zonnepanelen zijn intussen niet meer weg te denken uit het Vlaamse straatbeeld. Begin 2025 telde Vlaanderen al meer dan 1 miljoen zonnepaneelinstallaties, samen goed voor bijna 7 gigawattpiek aan vermogen. Toch blijven appartementsgebouwen en andere mede-eigendommen opvallend achter.

Deze achterstand is deels te wijten aan de juridische en technische complexiteit. Het dak behoort tot de gemeenschappelijk delen, waardoor een installatie de goedkeuring van de Algemene Vergadering (AV) vereist. Bovendien moet de VME de keuze maken tussen allemaal individuele installaties (elk aangesloten op een private teller) of één collectieve installatie op de gemeenschappelijke teller. In dit artikel bespreken we aan de hand van een casestudy waarom een gemeenschappelijke installatie vaak de meest interessante oplossing is. 

De voor- en nadelen van gemeenschappelijke PV-installaties 
Het grootste voordeel van een gemeenschappelijke installatie is de schaalvergroting. In tegenstelling tot individuele systemen, waarbij bewoners vaak slechts een klein stuk van het dakvlak kunnen benutten (vaak beperkt tot 2-3 panelen per entiteit), maakt een collectieve installatie optimaal gebruik van de beschikbare oppervlakte. Door te kiezen voor één zwaardere omvormer en een vereenvoudigd kabeltraject ligt de prijs per bewoner aanzienlijk lager. 

Bovendien zien we een trend naar de collectivisering van technieken, zoals warmtepompen en laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. Een gemeenschappelijke zonnepaneelinstallatie is dan een logischere oplossing dan individuele installaties om de energiekosten van deze verbruikers te drukken. 

Er zijn echter ook drempels. Voor de investering is een 2/3e meerderheid binnen de AV vereist, wat een engagement van alle mede-eigenaars vraagt voor de financiering. Een klassiek tegenargument is dat de opgewekte energie niet direct door private toestellen (zoals wasmachines of kookplaten) verbruikt kan worden. 

Zonder een oplossing hiervoor (bijvoorbeeld energiedelen) of grote gemeenschappelijke verbruikers dreigt een te groot deel van de productie tegen lage vergoedingen op het net geïnjecteerd te worden, wat de terugverdientijd negatief beïnvloedt. 

Wanneer die analyse correct gebeurt, kan een gemeenschappelijke zonnepaneelinstallatie echter een sterke stap vooruit zijn voor een mede-eigendom. Ze verlaagt de gemeenschappelijke energiekosten, benut het dak optimaal en bereidt het gebouw voor op een toekomst waarin energieprijzen steeds onzekerder lijken te worden.

Casestudie: privatieve vs gemeenschappelijke installaties 
Als praktijkvoorbeeld analyseren we een residentie met 57 appartementen en 68 parkeerplaatsen. Het gebouw beschikt over een bruto dakoppervlakte van 700 m². 

Daarvan is naar schatting de helft effectief bruikbaar voor zonnepanelen, onder meer door andere installaties, schaduwzones en de nodige tussenafstanden. 

Op die beschikbare dakruimte passen ongeveer 66 zonnepanelen van 460 wattpiek. Samen leveren die een geïnstalleerd vermogen op van 30,36 kilowattpiek.


Scenario 1: collectieve installatie

Figuur 1: Collectieve PV installatie


In het geval van een collectieve installatie kunnen alle panelen gekoppeld worden aan één 3-fasige omvormer van 30kW, die dan aangesloten wordt op de teller van de algemene delen.


Scenario 2: privé installatie

Figuur 2: Privé PV installatie


Bij individuele installaties krijgt elke deelnemende bewoner een eigen kleine installatie, aangesloten op de private teller van het appartement. 

In dit voorbeeld gaan we ervan uit dat 22 bewoners interesse hebben. Elke bewoner kan dan drie zonnepanelen plaatsen, gekoppeld aan een kleinere monofasige omvormer van 1,5 kW. ​

Verbruiksanalyse privé installatie
Voor de analyse van een individuele installatie vertrekken we van een gemiddeld jaarverbruik van 2.000 kWh per appartement. Een persoonlijke installatie van drie panelen levert gemiddeld ongeveer 1.016 kWh per jaar op. Daarvan wordt naar schatting 57% rechtstreeks in het appartement verbruikt. Dat noemen we de zelfconsumptie: het deel van de opgewekte stroom dat onmiddellijk gebruikt wordt op het moment dat de zonnepanelen produceren.

In de winter is de productie vaak te laag om het verbruik volledig te compenseren. In de zomer gebeurt het omgekeerde: op zonnige momenten produceren de panelen meer dan het appartement op dat moment verbruikt. Het overschot wordt dan op het elektriciteitsnet geïnjecteerd, meestal tegen een lagere vergoeding dan de prijs die men betaalt voor afgenomen stroom. De grafieken hieronder tonen dit verschil tussen een typische wintermaand en een typische zomermaand.

Figuur 3: typische wintermaand privé-installatie


Figuur 4: typische zomermaand privé-installatie


Verbruiksanalyse collectieve installatie
 
Bij de gemeenschappelijke installatie wordt de opgewekte stroom gebruikt voor de algemene delen van het gebouw. Denk aan de poort van de parking, liften, verlichting, ventilatie of andere technische installaties. In deze case wordt ook rekening gehouden met collectieve laadinfrastructuur voor elektrische wagens. 

Zonder de laadinfrastructuur bedraagt het basisverbruik van de gemeenschappelijke delen ongeveer 20.000 kWh per jaar. De zonnepaneelinstallatie produceert gemiddeld 23.132 kWh per jaar. 

Ook hier is er een duidelijk seizoen effect. In de winter is er te weinig zonneproductie om het volledige verbruik te dekken en in de zomer te veel. Hier ligt het zelfconsumptiepercentage echter een stuk lager, op gemiddeld 36%.

Figuur 5: typische wintermaand collectieve installatie

Figuur 6: typische zomermaand collectieve installatie


De impact van laadinfrastructuur 
Het beeld verandert wanneer er een grotere gemeenschappelijke verbruiker bijkomt, zoals laadpunten voor elektrische wagens. 

In deze VME werd collectieve laadinfrastructuur voorzien voor alle parkeerplaatsen. Vandaag hebben 6 bewoners effectief een laadstation laten installeren en activeren (9% van de parkeerplaatsen).

Het huidige laadverbruik bedraagt ongeveer 1.100 kWh per maand, of 13.200 kWh per jaar. Uit het laadprofiel blijkt dat de meeste laadsessies ’s avonds plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer bewoners thuiskomen van het werk. Toch zijn er ook rond de middag regelmatig laadsessies. Dat kan wijzen op bewoners die thuiswerken, deeltijds werken of met pensioen zijn. 

Doorheen de tijd zullen er meer en meer bewoners bijkomen met een laadstation. Voor een berekening van de terugverdientijd gaan we er daarom van uit dat er over een termijn van 20 jaar (typische minimale levensduur van een zonnepanelen) gemiddeld 20% van de parkeerplaatsen een laadstation heeft geïnstalleerd dat actief gebruikt wordt. 

Hierdoor krijgen we een stijging van het zelfverbruik van 36% naar 59%. Dit zou nog verder kunnen stijgen indien de bewoners meer flexibiliteit hebben over op welke uren ze hun wagen kunnen opladen.

Figuur 7: laadprofiel residentiële mede-eigendom

Figuur 8: typische zomermaand met EV (grijs)

Figuur 9: typische wintermaand met EV (grijs)

Prijzen en terugverdientijden 
Voor de prijzen moeten we rekening houden met volgende onderdelen:

  • Zonnepanelen
  • Omvormer
  • Montagesysteem
  • Bekabeling van het dak naar het tellerlokaal op verdieping -1, over ongeveer negen verdiepingen en circa 35 meter;
  • Aansluiting op het elektrisch bord


Type installatie

Zelfverbruik

in %

Zelfverbruik

in kWh

Besparing

per jaar

Geschatte terugverdientijd

Privé installatie

57%

582 kWh

€159

18,9 jaar

Collectieve installatie zonder EV

36%

7235 kWh

€1.975

12,7 jaar

Collectieve installatie met EV

59%

11746 kWh

€3.207

7,8 jaar

Conclusie
Uit bovenstaande casestudie kunnen we concluderen dat door het schaalvoordeel een collectieve zonnepaneelinstallatie bijna altijd voordeliger zal zijn dan een privé installatie, maar het pas echt interessant wordt wanneer er ook andere collectieve technieken worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld laadinfrastructuur. 

Het extra verbruik dat dit met zich meebrengt zorgt zelfs zonder sturing voor een aanzienlijke verhoging van het eigen verbruik en dus een verkorting van de terugverdientijd. 

Zowel voor de privé- als collectieve installatie kan sturing van de grote gebruikers nog een aanzienlijke extra winst opleveren. Bij laadinfrastructuur vergt dit enige flexibiliteit van de gebruikers, maar zelfs als dit alleen mogelijk is in het weekend zorgt dit al voor een groot voordeel. Andere gemeenschappelijke installaties, zoals warmtepompen voor sanitair warm water, hebben typisch een lager totaal vermogen maar kunnen wel beter aangestuurd worden om te verbruiken op de momenten dat er veel zon is omdat deze niet afhankelijk zijn van de flexibiliteit van de gebruikers. 

Daarnaast bestaat er in Vlaanderen ook de mogelijkheid tot energiedelen. Op deze manier zou de overschot van zonne-energie op de gemeenschappelijke teller gebruikt kunnen worden door de privé installaties van de bewoners, al zijn hier ook kosten aan verbonden. Energiedelen werd in deze case studie niet mee opgenomen, maar kan interessant zijn om te bekijken wanneer er zelfs met gemeenschappelijke verbruikers nog veel overschot aan zonne-energie is.


Info


Bram Robberechts

Project Engineer

Go Watts

hello@gowatts.be

www.gowatts.be

Onze blogs

DELEN





Slechts de helft van de appartementsgebouwen heeft een EPC van de gemeenschappelijke delen in Vlaanderen